Armenwerkhuis

 

Onderstaande beschrijving komt uit een gemeentelijke notitie, geschreven door H.G. Geertjes.

Na 1750 gaat het niet meer zo goed met onze economie. We hebben te maken met een dalende conjunctuur. Vooral van de Vierde Engelse Oorlog raken we in een stroomversnelling. In Hoogeveen profiteerde men tijdelijk van het stopzetten van de turfproductie in enkele andere plaatsen van ons land. Degenen die daar werkloos werden, trokken ponder andere naar hier.Steeds meer mensen doen een beroep op de armenkassen. Om de nood te lenigen, kwam de diaconie van de Nederlandse Hervormde Gemeente in 1932 met het plan om een armwerkhuis op te richten. De kosten zouden worden gedekt door inkomsten uit collecten, vrijwillige giften en arbeid. De opbrengst was evenwel niet hoog genoeg, zodat men zich tevreden moest stellen met de stichting van een armenhuis. Desondanks bleef de noodzaak voor de oprichting van een armwerkhuis bestaan. Hiertoe werd in 1808 een verzoek aan de Landdrost gericht.

Toen bleek dat de wereldlijke- en kerkelijke besturen in een commissie wilden samenwerken, zond de Landdrost dit verzoek om subsidie van f 20.000,-- met een aanbevelingsbrief aan koning Lodewijk-Napoleon. Tijdens een bezoek in 1809 aan Drenthe, waarbij ook Hoogeveen werd aangedaan, stemde deze erin toe en kon het armwerkhuis gebouwd worden. De bouw werd gegund aan J. de Vries en J. Dekker voor een bedrag van f 14.300,--. De rest van de subsidie zou besteed worden aan de inrichting en bouw van een gevangenis en een dodenhuisje. Op 1 mei 1810 deden de eerste bewoners hun intrede en enige maanden later benoemde de Landdrost, uit voorgedragen dubbeltallen, regenten en regentessen, 8 in getal.

Vanaf 1856 zouden benoemingen geschieden door de gemeenteraad, waarbij de voorzitter een wethouder moet zijn. Financieel bleef het behelpen. In 1811 zagen de regenten zich genoodzaakt de onderprefect te verzoeken, om een maandelijkse belasting op de leden der Nederlandse Hervormde Gemeente te mogen heffen. Pas in 1813 werd hierin toegestemd4. Wanneer, zoals in 1839, de aardappeloogst mislukte, mocht er een zogenaamde aardappelcollecte gehouden worden. Ook werd wel eens een beroep op het “Fonds ter eventuele ondersteuning van het Armwerkhuis” gedaan, ingesteld door de directeuren van de Algemene Compagnie van 5000 Morgen. Daarnaast verstrekte de gemeente regelmatig subsidies.

De statuten en huishoudelijke reglementen moesten steeds goedgekeurd worden door het gemeentebestuur. Enige jaren na een wijziging van de Armenwet, zoals bijvoorbeeld in 1854, werden statuten en huishoudelijke reglementen opnieuw ter goedkeuring bij gemeenteraad en burgemeester en wethouders ingediend. Opvallend is, dat er nauwelijks veranderingen plaatsvonden. De regenten en regentessen vergaderden apart, behalve wanneer het ging om de benoeming van een vader en moeder.

De regentessen hadden een adviserende stem en hielden toezicht op de bereiding van het voedsel door de moeder, op het vrouwelijke deel van de bewoners en de aan hen opgedragen werkzaamheden. De regenten daarentegen, met name de president, secretaris en penningmeester, hielden boek van alles wat met beheer, financiën en verzorging te maken had, waarbij bepaalde taken aan de vader en moeder werden gedelegeerd. Tijdens iedere vergadering was de vader aanwezig. Deze bracht verslag uit, zowel schriftelijk als mondeling, van de gebeurtenissen die in het tehuis plaats hadden, droeg geïnd geld af, verantwoordde inkomsten en uitgaven, enzovoort.

Een andere taak van de vader was het uitbesteden van alumni (kinderen) ouder dan 12 jaar aan zelfstandigen, teneinde hen een vak te laten leren. Verder zorgde hij ervoor, dat jongere kinderen onderwijs kregen. Ook ouderen werden door hem uitbesteed. Een deel van de bewoners bleef werkzaam in het Armwerkhuis en verrichtte arbeid naar kunnen, zoals spinnen, breien, land bebouwen, vee verzorgen en reparaties verrichten. De inkomsten die hieruit voortvloeiden kwamen het tehuis ten goede. De bewoners kregen zakgeld en, indien ze erg vlijtig waren, een kleine beloning. Ledigheid werd bestraft met bijvoorbeeld water en brood.

Toen in 1934 het beheer -van het “Fonds ter eventuele ondersteuning van het Armwerkhuis”, kortweg “Armwerkhuisfonds”, door de directeuren van de Algemene Compagnie van 5000 Morgen aan de regenten werd overgedragen, zagen dezen een mogelijkheid hun plannen voor de bouw van een nieuw tehuis te realiseren. In 1937 werd hiermee begonnen en op 25 april 1938 konden de bewoners verhuizen naar het nieuwe pand dat de naam “„Beatrixstichting” kreeg. Dit tehuis was bedoeld om wezen en ouden van dagen te huisvesten, hetgeen eigenlijk al jaren de praktijk was.

Na de oorlog was het pand te klein geworden en kwamen de regenten met plannen voor uitbreiding.5 Pas in 1960 werd de zaak urgent. Van de kant van het gemeentebestuur kwamen nu plannen om de opzet van de stichting, zijnde een tehuis voor armlastige bejaarden en wezen, te veranderen in een algemeen bejaardentehuis.6 Hierbij vormde het “Armwerkhuisfonds” en de in de jaren door het tehuis vergaarde bezittingen een probleem. Dit alles moest, met goedkeuring van Gedeputeerde Staten, door de Gemeenteraad geregeld worden. Het een en ander werd afgerond op 1 juli 1962 met de officiële verandering van de opzet van de stichting.

Administratief had dit blijkbaar geen gevolgen. Ook werd het dagelijks bestuur op dezelfde wijze voortgezet. Er kan dus geen duidelijke afronding van de archieven plaatsvinden.Wanneer we de financiële administratie van het Armwerkhuis bekijken, kunnen we grofweg drie boekhoudkundige systemen herkennen:
a. Van 1810-1952 kameralistisch, te onderscheiden in:
1. 1810-1924. Eerst worden de begrotingen, vaak samen met de rekeningen van het jaar ervoor, samengesteld. De boekingen worden van de journalen overgeschreven in manualen en vandaar uit in rekeningen verwerkt. De vader houdt ook een financiële administratie bij.
2. 1925-1952.Er worden begrotingen, vaak samen met de rekeningen van het jaar ervoor, samengesteld. Tot 1941 worden de boekingen van de verschillende kasboeken en het debiteuren overgeschreven in tabellarische kasboeken.Vanaf 1942 overgeschreven in grootboeken, van waar uit de rekeningen werden opgemaakt.
b. Van 1953-1957 enkele boekhouding.
Er worden eerst begrotingen, samen met de rekeningen van het voorgaande jaar, opgemaakt. De boekingen worden van de verschillende kasboeken en debiteurenboek door een accountant overgeschreven in een tabellarisch kasboek, van waar uit een jaarrekening wordt opgemaakt. De tabellarische kasboeken zijn niet overgeleverd: in plaats daarvan zijn de gewone kasboeken bewaard. Voor zover deze zijn overgeleverd zijn ze aanwezig.
c. Vanaf 1958 dubbele boekhouding.
Er worden eerst begrotingen, samen met de rekeningen van voorgaande jaren, opgemaakt. De boekingen worden vanuit verschillende kasboeken, w.o. een tabellarisch kas-bankboek,en debiteuren boek overgeschreven in een journaal. Van daaruit wordt een grootboek samengesteld en door een accountant een jaarrekening opgemaakt..

De Archieven

Tot 1962 viel de stichting? onder de werking van de Armenwet artikel 2a. Bij de overgang in juli 1962 zijn de bezittingen grotendeels aan de gemeente gekomen. Ten gevolge hiervan zijn de laatste archiefstukken in 1977 overgedragen. De stukken lagen over drie plaatsen verspreid:
- 6 meter in de kelder van gemeentewerken, omdat dhr. Hoogerwerf werkzaam bij gemeentewerken, regent was.
- 6 meter in het gebouw van de “Beatrixstichting” en nog eens een halve meter bij het secretariaat van de stichting. Onlangs kwam nog een notulenboek 1965-1970 boven water.
Tijdens de voorlopige beschrijving bleek, dat er sporen van een oude orde aanwezig waren.Niet alleen vormden de notulen de ruggegraat van de archieven, doch er bleken ook twee archiefvormende “instanties” aanwezig. Zowel de regenten als de vader en moeder vormden uit hoofde van hun functie een eigen archief. Deze oude ordening is, voor zover mogelijk hersteld.

Een aantal bescheiden komen voor vernietiging in aanmerking. Hieromtrent is een voorstel ingediend bij burgemeester en wethouders. Dezen hebben advies ingewonnen bij de algemene rijksarchivaris. Nadat ook de provinciale inspecteur hieromtrent gehoord is, zijn de stukken volgens een lijst vernietigd.7 Hierna bleef ongeveer 4 meter archief over.

In de beschrijving komt men nogal eens “college van B en W, gemeenteraad en gemeentebestuur” tegen. Hiermee wordt bedoeld: College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeveen, enzovoort. Wanneer naar een ander archief wordt verwezen, dan het Armwerkhuis1 dan wordt steeds het archief van de gemeentesecretarie bedoeld. Bij kadastrale aanduiding van onroerend goed in de gemeente Hoogeveen gelegen is de naam van de gemeente weggelaten.

Het armenwerkhuis in de van Echtenstraat stond hier tot in de zestiger jaren van de twintigste eeuw nu staat hier "Het Postkantoor" en het is tevens de ingang van de bioscoop van Hoogeveen.

 

 

Artikelen bekeken hits
403269
Facebook Image

Copyright © 2015. Henk Jonker Hoogeveen