Noordscheschut

Klik en scrol op onderstaand fotoalbum

Rondom het Noordse Schut

©Albert Metselaar 2013 

De natuurlijke omgeving

De omgeving van dat deel van Noord dat we nu terug vinden tussen de sluis en de omlegging van de Hoogeveensche Vaart, was in 1637 een zeer drassig gebied. Op verschillen­ de plaatsen was het veen lager dan het waterpeil in de omliggende gebieden, waardoor er open water ontstond. Er werden diverse kleine plassen gevon­den. Of het er precies acht waren, zoals de kaart van 1637 aangeeft, is niet zeker. Vaak benaderen deze kaarten de werkelijkheid wel, maar zijn ze in details niet zo exact als de huidige kaarten. Ook rond het Achteromse Opgaande -dat er toen even­eens nog niet lag -en in de omgeving tussen de late­re sluis en de 31e wijk werden plassen gevonden. Het grootste meer in de omgeving van het huidige dorp van het Kromme Meer. Het begon nog ten noorden van de Verlengde Hoogeveensche Vaart, en liep met een kromming naar het zuidwesten. Het meer liep door het voormalige woonwagenkamp. Er bestond al vrij vroeg een sloot van Hoogeveen naar het Grote Meer, dat nog oostelijker lag, waarop ook dit Kromme Meer aangesloten was. De sloot ontstond kort na het graven van de Hoogeveensche Vaart (1631-1632). Zo verloor dit Kromme Meer een groot deel van zijn water. Een restant van dit Kromme Meer is nog jarenlang aanwezig geweest. Het was een smal, langgerekt meer. De plassen ten westen van de huidige Sluis verdwenen toen het Noordse Opgaande gegraven werd. Verschillende kaarten uit de zeventiende eeuw blijven echter een meer ten noordwesten van het gebied rond de sluis tonen. Ook na de eerste ontwate­ringen bleven er dus enige gebieden blank staan.

Noordse Opgaande

De oudste geschiedenis van het Noordse Opgaande en het ontstaan van het Noordsche Schut houden nauw verband met de geschiedenis van de familie Van Echten, één van de bekendste Drentse adellijke families. Toen de familie Van Echten kapitaal van buiten Drenthe aantrok om delen van het Hooge­veen over te nemen (o.a. de Bentincks en de stich­ters van de Hollandsche Compagnie) hield men de venen en ondergronden rond het gebied waar het Noordse Opgaande zou komen in eigen handen. Dit levert nogal wat onduidelijkheden op, wat betreft de geschiedschrijving van de zeventiende-eeuwse periode.

Als mensen met uiteenlopende familiebanden en achtergronden samen gingen vervenen, werden er notulen aangelegd waarin de onderlinge afspraken vastgelegd werden. Er werd een compagnie ge­vormd. Zo is er heel wat gedetailleerde informatie bewaard gebleven over de geschiedenis van het Hol­landsche Veld uit de zeventiende eeuw. Als een veencomplex in handen bleef van één persoon, of één familie, werd er lang niet zoveel vastgelegd. Als we ons de vraag gaan stellen wanneer het Noordse Opgaande gegraven werd, moeten we het daarom doen met sumiere informatie. De bezittingen van de familie Van Echten bleven deel uitmaken van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen, voor zover het de zuidkant van het opgaande betreft, en ze komen dan ook voor op kaarten die deze com­pagnie liet maken. Eén van die kaarten, getekend in de periode 1650-1670 (3) tracht een beeld te geven van het dorp Hoogeveen en de directe omgeving. Het Hollandscheveldse Opgaande is er al gedeelte­lijk op ingetekend. Er ligt tevens een sloot naar het Grote Meer, volgens de kaart. Het Noordse Op­gaande is nog niet als opgaande aanwezig. Er staat wel een lijn op de kaart, maar dat is de "Scheijdt Lijnie tusschen Suitwolde en Pesse".

Deze grens tussen het gebied dat de Van Echtens van Zuidwolde gekocht hadden en de venen en gronden die ze van Pesse overnamen, lag precies op de plaats van het latere Noordse Opgaande. Een kaart van Jan Carsten uit 1677 tracht eveneens een beeld van Hoogeveen en de buitengebieden te geven (4). Dat de kaart de werkelijke situatie weer tracht te geven, en niet de nog in ontwikkeling zijnde plannen, blijkt ondermeer uit het feit dat het Zuider Opgaande (Hollandsche Veld) er nog niet op voor­komt. Het Noordse Opgaande staat al wel op de kaart! Op basis van een vergelijking tussen de beide genoemde kaarten mogen we de conclusie trekken dat het Noordse Opgaande in het derde kwart van de zeventiende eeuw gegraven werd.

De eigenaren van de venen 

Zoals al vermeld is lag het Noordse Opgaande op de grens van Echtens-Hoogeveen. Het werd dan ook wel kortweg de Pesser Scheijt genoemd. In de om­geving van het latere schut kwamen ook nog andere gebieden samen. Het huidige dorp Noordscheschut ligt dan ook in een gebied waar een veelheid aan dorpen, eigenaren en organisaties bezittingen hadden.

U vindt bij dit hoofdstuk een kaartje afgedrukt waarop u de stukken veen en ondergrond aangege­ven ziet. De beide meren op het kaartje, genum­merd 1 en 3 zijn afgebeeld zoals ze er in de tweede helft van de zeventiende eeuw lagen. Nummer 2 is het Noordse Opgaande en 4 is het Krakeelse- of Bentincks Opgaande. De gebieden A en B liggen in het Pesserveld of Pesserlegeveld. Dit gebied lag bui­ten Echtens-Hoogeveen, en bleef buiten Hoogev~en tot de beide gebieden in de Franse Tijd samenge­voegd werden.

Roelof van Echten had bezittingen in de marke van Pesse. In 1634 werden de gezamenlijke bezittingen gescheiden en verkreeg Roelof van Echten dat deel dat aan Echtens- Hoogeveen grensde (5). Vanaf toen bestond de situatie waarin de Van Echtens op de zuidkant van het latere Noordse Opgaande grondei­genaar en rechter waren (Echtens-Hoogeveen was een afzonderlijk rechtsgebied) en op de noordkant van het opgaande enkel grondeigenaar. Deze situatie zou voor problemen gaan zorgen in de periode dat het gebied volop gekoloniseerd was. Het gebied C, het Tiendeveen, viel onder Drijber.

In het archief van de familie Van Echten vinden we een afschrift van een stuk uit 1636. Roelof van Ech­ten kwam daarbij overeen met de tiendplichtige in­woners van Wijster dat hij af zou zien van de tien­den, in ruil voor het aandeel van de laatsten in de venen achter Drijber. Het gebied D viel onder Mantinge. Het stond los van Echtens-Hoogeveen, los van het Tiendeveen en los van het Pesserveld. Al met al was het in de omgeving van het huidige Noordscheschut een wirwar van te behartigen belan­gen, die te vergelijken was met de situatie rond Nieuwlande. 

Een voordeel was dat de familie Van Echten een bindende factor was, zodat er geen sprake was van een veelheid aan grootgrondbezitters, die elkaar ook nog eens uitspeelden.Het gebied E lag weer binnen Echtens-Hoogeveen. Het was van de Van Echtens, en zou via verering in handen komen van de Ritmeester Van Echten, die ook eigenaar werd van B. Het gebied I is een smalle strook veen van de kerk, de zogenaamde Kerkenkavel. Dit is dus een andere Kerkenkavel dan die te Hol­landscheveld, maar viel wel onder dezelfde 100 Morgen die bij de oprichting van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen voor de kerk ach­tergehouden werden. De gebieden J en L, rond het Krakeel, vielen onder Benticks Compagnie.

Oorspronkelijk was dit hele gebied over verschillen­de eigenaren verdeeld, maar in de loop van de 17e eeuw kwam het volledig in handen van de familie Bentinck. In de 18e eeuw stootte deze familie de be­zittingen af. Enkele Hoogeveners werden de nieuwe eigenaren. Ze vormden een compagnie, die de naam van de familie Bentinck bleef dragen. Via de fa­milie Van Echten ging ook het gebied K over op de familie Bentinck en Benticks Compagnie. De gebie­den F, G en H waren weer van de familie Van Ech­ten. F bleef het langst in het bezit van de heren Van Echten. G kwam door verering in handen van Gel­derse heren, die het doorverkochten aan Hoogeveen­se verveners. Ze gingen verder als de Gelderse Com­pagme. De westelijke delen van het gebied H ware ooit ei­gendom van Loman (180 roe), de rest kwam in han­den van de Ritmeester Van Echten. Diens erf­ genamen moesten de venen weer afstaan aan de Al­gemene Compagnie van de 5000 Morgen, omdat men de verplichtingen ten aanzien van deze compag­nie niet nagekomen was. Uiteindelijk werd het ge­bied in zijn geheel herverdeeld over alle kleinere compagnieën die Echtens-Hoogeveen in de 18e eeuw kende.

De eerste bewoners 

De eerste bewoning van het veengebied rond het Noordse Opgaande had al plaats in de 17e eeuw. Waar de turfgravers aan het werk waren, vond men ook de hutten van de seizoenarbeiders. In wezen was er dus geen sprake van echte bewoning, maar van tijdelijke verblijven, die alleen tijdens het graaf­seizoen dienst deden. In die dagen bood het dorp Hoogeveen nog voldoende ruimte voor de kolo­nisten die een vaste verblijfplaats zochten. In 1703 werden er verschillende stukken ondergrond rond de 10e, 11e, 12e en 15e wijk in erfpacht uitge­geven. Aangezien het grond betrof die tot áán de Pesserdijk in erfpacht uitgegeven werd, betrof het waarschijnlijk grond aan het Achteromse Opgaande. In die jaren kwam ook de kolonisatie van het Hol­landsche Veld op gang, nadat daar in de 17e eeuw een voorzichtig begin gemaakt was. We kunnen dan ook met een grote mate van zekerheid aanne­men dat ook de kolonisatie van het Noordse Opgaande in het begin van de 18e eeuw op gang kwam.

Gedurende de gehele 18e eeuw werden er meer ar­beiderswoningen en boerderijtjes gebouwd. En er werd heide ontgonnen en de bevolking groeide. Wat voor mensen woonden er aan het Noordse Op­gaande? Ten behoeve van een algemeen overzicht van de buitengebieden van Hoogeveen, werd een re­constructie van de bevolking van Noord uit 1764 ge­maakt.

De hele bevolking van Noord was in 1764 al 55 huishoudens groot. Er woonde toen nog vrijwel nie­mand op de wijken ten oosten van het schut. Los van de seizoenarbeiders woonden er toen ongeveer 270 mensen. Meer dan de helft van de bevolking (58%, 32 huishoudens) viel onder de groep die men wel praambezitters noemt. Het waren de huishou­dens van de schippers en de kleine verveners. De rest van de bevolking, de veenarbeiders, is in te de­len bij twee andere groepen. De middengroep (27%, 15 huishoudens) bestond uit arbeiders die het voor hun tijd redelijk goed hadden. Hoewel er ook men­sen onder zaten die niet al te best rond konden ko­men, leden de huishoudens naar de maatstaven van hun tijd geen armoede. De groep armen telde acht huishoudens, en kwam daarmee op een percentage van 15% van de bevolking. Daarmee stak Noord nog goed af bij de omliggende kolonisaties. De be­volking van het Achteromse Opgaande en het Kra­keel bestond voornamelijk uit arbeiders en armen, al waren de armen overal in de minderheid. In te­genstelling tot het Achteromse Opgaande, telde het Krakeel ook nog een kleine groep schippers.

Op visite bij Hendrik Hendriks Jongevos

In 1756 werd de hele boedel van Hendrik Hendriks Jongevos (of Jonge Vos) beschreven (12). Hendrik was een loot uit de stam van de familie Schonewille. Doordat de mensen in die dagen verschillende na­men en bijnamen konden hebben, heette Hendrik toen Jongevos. Het gaat te ver om hier het hele ver­haal over het ontstaan van die naam te vertellen. 

Hendrik Jongevos was weduwnaar van Aaltje Jans. Omdat hij weer wilde trouwen, en er nog minderja­rige kinderen waren, moesten er mombers (voogden) aangesteld worden, en moest de boedel beschreven worden. Uit die gegevens is zoveel informatie te ha­len, dat we in onze fantasie bij hem op visite kun­nen gaan. U moet dan op de zuidkant van het Noordse Opgaande zijn, op de oostkant van de 17e wijk. Hendrik heeft daar een huis, hof, land en ondergrond.

Toen de lijst met bezittingen gemaakt werd, de 25e februari, stonden er twee koeien en twee jonge beesten op stal. Het varken was "verdwenen". Zo'n dertig metworsten en negen stukken spek, was alles wat er aan het dier herinnerde. Hendriks belang­rijkste bezittingen hadden met de turfgraverij te ma­ken. Zo had hij vier pramen, waarvan er toen twee met turf beladen waren. Zijn punter zal voorname­lijk voor personenvervoer gebruikt zijn. Bij het be­zit van vier pramen, mag men ook flink wat veenverwachten. Door zijn bezittingen was Hendrik in­derdaad één van de gegoede schippers/verveners van Noord.

Zijn veen lag rond de oostelijke wijken van Noord. Hij bezat 11 bonken veen op de westkant van de 21e Wijk, op de zuidkant van het Noordse Opgaan­de, een klinke besneden veen van 30 bonken op de oostkant van de 26e Wijk, eveneens op de zuidkant van het opgaande~ en op de westkant van laatstge­noemde wijk ook nog eens een klinke besneden veen van 21 bonken liggen.Ook op de 27e Wijk op de noordkant van het op­gaande lag veen van Hendrik: 11 bonken op de westkant en 3 bonken op de oostkant. Op de 25e wijk op de noordkant van het opgaande lagen op de oostkant van de wijk vier bonken, en op de westkant een klinke besneden veen van een niet vermelde grootte. Ook op de westkant van de 23e Wijk, op de noordkant van het opgaande, lag een klinke besneden veen waarvan de grootte niet vermeld werd. Verder bezat Hendrik "~ part van de middelste wijkke op 't zogenaamde Ritmeester Echtens Blok beoogsten de dertig mor­gens". Dit laatste veen lag ten oosten van het huidi­ge dorp Noordscheschut, op de Oude Wijk, en was zo'n 16 á 17 bunder groot. Als we alle bonken veen bij elkaar optellen komen we, naast die 16 á 17 bunder veen op nog eens 87 bonken, exclusief het niet geregistreerde veen op enkele wijken. Dat is waarschijnlijk niet zo veel geweest, anders was het wel beter vermeld.

Al met al is duidelijk dat Hendriks bezittingen voor een schipper uit de buitengebieden van de gemeente Hoogeveen vrij omvangrijk waren. Behalve zijn ei­gen plaatsje en zijn venen had Hendrik ook nog wat ondergrond op de westkant van de 23e Wijk en op de westkant van de 24e Wijk, ten noorden van het Noordse Opgaande. Dit zal toendertijd heideveld ge­weest zijn. Op het bij dit hoofdstuk afgebeelde kaartje uit 1867 ziet u de wijken rond Noord afge­beeld. De 10e Wijk was naar het noorden toe ver­breed, en werd zo het Achteromse Opgaande. Door vanaf die 10e Wijk oostwaarts verder te tellen, vindt u de andere in dit stukje genoemde wijken.

In de woning

We hebben nu al een aardige indruk van Hendriks venen en gronden, maar weten nog niet hoe het er thuis uitzag. In de boedelbeschrijving vinden we al­lerlei meubilair, huishoudelijke artikelen en andere kleinere zaken. In de woonkeuken stonden borden te pronk, net als een lepelbord met twaalf tinnen le­pels. Een kastje met boekjes gaf aan dat Hendriks interesses verder gingen dan alleen zijn dagelijkse le­ven. Het boekenbezit was klein in die dagen, en al­leen al het feit dat Hendrik er enkele had is opmerkelijk. Een delfsblauw theeservies, een spiegel, drie tafels, een klok, zeven stoelen, drie bedden met toebeho­ren, tinnen kommen, een koperen ketel en ander kookgerei vulden het geheel aan. Er waren nogal wat gereedschappen en andere spullen voor het boe­renwerk en de veenderij in huis.

Een windel- en een kroddezeve, een lantaarn, een zaag, vier emmers, een haspel, een dorseldek, een wiel, een vleesgaffel, een mud of 8, 9 boekweit, een schoffel en een troeffelschep, platte en hoge ijzeren potten, een trof, vier droge turfwagens, drie natte turfwagens, een krabber, twee "eerdwagens" en ver­schillende hulpmiddelen bij het meten en afmeten.

Zo had Hendrik een halve roede (een stok met een lengte van acht voet), een schepel, een tinnen men­gel, nog een schepel, een half spint en een half vie­rendeel. Verder vinden we op de lijst dingen als een "sijvat", een vleeston, een melkton, een tang, een nieuwjaarsijzer, een wastobbe, een mestvork, drie knijplijnen, een dissel en twee hengelmandjes.De ouderen zullen zich nog veel van deze dingen herinneren. Voor de jongeren zou deze beschrijving een aanleiding kunnen zijn om eens na te gaan hoe al deze gebruiksartikelen er uit zagen.

In de dagen van Hendrik Jongevos speelde het geld al net zo'n grote rol als in onze tijd. Hendrik was in het bezit van papieren die een beeld gaven van zijn financiële toestand. Jan Theijs moest nog  f 300,-,- betalen. Hij had een wijk veen van Hen­drik gekocht. Voor de duidelijkheid: men rekende toen in guldens, stuivers en penningen, die afzon­derlijk vermeld werden. Jannes Harms Govers had turf van Hendrik gekocht, en moest daar nog f 114,- van betalen. Verder moest Hendrik nog geld hebben van ondermeer enkele kinderen. In to­taal had hij zo nog f 481,18 tegoed. Daar stond dan tegenover dat Hendrik nog voor f 1271,94 aan schulden had bij zeven personen.Zo vertellen de cijfers en de feiten van Hendriks in­boedel en bezittingen van het leven dat hij leidde, van zijn welstand en van zijn verdriet. Eén ding is hier nog onvermeld gebleven. Op de lijst vinden we ook een snaphaan vermeld. Een soort geweer dus.

Wat deed hij daarmee? Een herinneringsstuk? Of was Hendrik ook één van de vele stropers uit die dagen? Hendrik woonde binnen Echtens­Hoogeveen. Daar mocht maar één persoon jagen: de heer Van Echten. Feitelijk kwam het er op neer dat zich daar niet zoveel mensen wat van aantrok­ken, maar die maakten zich dan wel automatisch schuldig aan stroperij. We kunnen Hendrik niet meer vragen hoe de vork in de steel zat...

Het Noordsche Schut

Veranderingen in de buitengebieden van de gemeen­te Hoogeveen deden zich nogal eens gelijktijdig in verschillende delen van die buitengebieden voor. Zo is ook de plaatsing van een schut in de wijk van de heer van Echten, ten oosten van Noord, geen op zichzelf staande zaak geweest. De 2ge november 1762 ondertekenden de participanten van Bentincks Compagnie een contract, waarin er afspraken ge­maakt werden rond de aanleg en het onderhoud van een schut in één van de Krakeelse wijken.

In 1763 werd het hout voor het Bentincker Schut gekocht en klaargemaakt, en werd het ijzerwerk ver­vaardigd. De rekening bedroeg toen al f 974,19,-. Het schut zou geplaatst moeten worden bij het in 1764 gebouwde Veenlust, in de Tweede Krakeelse Wijk. Die wijk was voor de helft van schulte Beu­ker, en voor de andere helft van de graaf Van Lim­burg Stirum. De graaf deed in 1764 zowel zijn ve­nen als zijn landgoed Vredelust (voorheen Vriesen­rust, in het Hollandsche Veld) van de hand. Kort nahet scheids contract van 28 maart 1764 werd het schut geplaatst. In de verkeerde wijk! Men plaatste het schut in de Derde Krakeelse Wijk, die helemaal Beukers eigendom was. In 1779 is het schut alsnog verplaatst naar de Tweede Krakeelse wijk, na veel geruzie en enige processen.

Het idee om de bevaarbaarheid van de oostelijke ve­nen door middel van schutten te bevorderen, was inmiddels ook al door anderen opgepikt. In 1765 werden er afspraken gemaakt rond een schut in de Schutswijk in het Hollandsche Veld. Ook de veeneigenaren van de gebieden rond Noord raakten geïnteresseerd.Het ontstaan van het schut bij het Noordse Opgaan­de, het Noordse Schut, is te reconstrueren door een oude rekening en de gegevens van het Bentinc­ker Schut met elkaar te vergelijken. De rekening is een samenvatting van verschillende andere rekenin­gen, en is in 1772 geschreven. Hij is gebruikt om onkosten te verdelen over de toenmalige belangheb­benden bij het Noordse Schut. De in de rekening verwerkte informatie gaat terug tot 1766. 

We lezen: "Het verlaat op de Heer van Echtens wijkke is geset door de Eijgenaren van de Heer van Echtens wijkke, en die van de zogenaamde Kromme of de Noorder wijkke van 't Noordsche Ritmeesters blok, en heeft gekost tot den 20 December 1766    f 1462,10.  Duidelijk is dat het schut, het verlaat zegt de reke­ning, oorspronkelijk voor maar twee wijken bedoeld was. De "Heer van Echtens wijkke" is later ver­breed en verdiept, en is nu een deel van de Hooge­veensche Vaart.Hoe oud is het schut eigenlijk? Is 1766 het eerste jaar geweest? Er zijn geen rekeningen of andere ver­meldingen van vóór dat jaar bekend. 

Kijken we nu naar het bedrag dat het schut vóór 20 december 1766 gekost heeft, dan kan het toen nog niet zo oud geweest zijn. Het Bentincker Schut kost­te al f 974,19,0 aan hout en ijzerwerk. Toen moest het nog geplaatst worden. Behalve de plaatsings­kosten moet er ook rekening gehouden worden met het arbeidsloon dat uitbetaald diende te worden in verband met het graven van een dwars gat tussen de wijken. Al met al kunnen we gerust aannemen dat het Noordse Schut in 1766 geplaatst of in gebruik genomen werd, en dat het per 20 december 1766 ge­registreerde bedrag de totale stichtingskosten en de eerste gebruikskosten betroffen.

 We lezen verder...

...in de oudste boekhouding van het Noordse Schut. In de periode tussen 20 december 1766 en 2 juli 1768 hadden de eigenaren van het schut in to­taal f 195,11,2 aan onkosten. Jammer dat er niet meer details bewaard gebleven zijn. Uit gelijksoorti­ge rekeningen van andere verlaten weten we dat de onkosten te maken hadden met schutsmeer, ar­beidslonen, reparaties, uitmodderen en meer van dergelijke zaken. Na de 2e juli 1768 veranderde de status van het schut: "Vervolgens zijn tot dit verlaat toegelaten de eijgenaren van de 2de of middelste wijkke van 't Noordsche Ritmeesters blok, de zoge­naamde Harm Smedings wijkke, als mede van de Noordkante van de Zuider halve wijkke van gemel­de blok."

De notitie maakt ons duidelijk dat er in 1768 een nieuw stuk dwars gat gegraven is, waardoor de Oude Wijk (toen Harm Smedingswijk genoemd) en de noordkant van de Calkoenswijk op het schut aan­gesloten werden. De noordkant van de Oude Wijk stond in die dagen op naam van Albert Koster, een vervener uit het Hollandsche Veld. De zuidkant van die wijk kende toen vijf eigenaren. Het eerste kwart was van de Ette J. Meijer en schulte E. Beuker. Het tweede kwart was van Hendrik Jongevos, die we al eerder ontmoetten, en de rest van de wijk was van de weduwe van Hendrik Veldman. Die weduwe van Hendrik Veldman had dus dubbel zoveel veen als Hendrik Jongevos.

Zo blijkt steeds weer dat de zijdelingse informatie die we uit boekhoudingen kunnen halen, ons verder op weg helpt bij het reconstrueren van de bovenlaag van de velden. De noordkant van de Calkoenswijk was toendertijd bezit van "de heer Doctor en Ette H.J. Calkoen", de zoon van verwalter-schulte Cal­koen, die te Hoogeveen woonde. Die wijk is ook naar die familie genoemd. Opvallend is dat we geen Harm Smeding meer aantreffen, als eigenaar van de Harm Smedingswijk. Dit komt omdat diens bezit toendertijd al overgegaan was op Albert Koster. In een later stadium zouden ook nog andere wijken op het vaartenstelsel achter het schut worden aangeslo­ten. De oudste boekhouding van het schut werd de 23e januari 1772 afgerond. Al de toenmalige betrok­kenen zetten er hun handtekening of hun merk onder: de toenmalige heer van Echten, Albert Koster, Harm WarmeIs, Roelof Scholten, Jan Hen­driks, H.J. Calkoen en, wederom, Hendrik Hen­driks (Jonge) Vos.

Het onderwijs

De buitengebieden van de gemeente Hoogeveen hebben van begin af aan een grote dosis zelfwerkzaamheid moeten laten blijken, voordat het burgerlijke en kerkelijke gezag zich actief voor hen in zouden zetten. Op het gebied van het onderwijs gaf dit aanvankelijk geen problemen. Ieder dorp en iedere streek die ver genoeg van het hoofddorp aflag mocht zelf een onderwijzer aanstellen. Het burgerlijke bestuur bemoeide zich noch met de salariëring, noch met de aanstelling of de vakkundigheid. In het Hollandsche Veld was vanaf mei 1757 meester Pieter Steen actief. Later werd hij opgevolgd door meester Roelof Dodevis. Noord volgde wat later met een eigen onderwijzer. Zowel in 1798 als in 1806 werd er een onderwijzer in de toen aangelegde registers opgetekend. Het was Harm Hendriks Keizer of Keijser.

Harm was inwonend bij zijn zus Annigje en zijn zwager Klaas Derks Gort. Ze woonden op de westkant van de 22e wijk. In de huidige situatie vindt u de plaats net ten westen van waar ooit eerste openbare school van Noord heeft gestaan, net over de bij die school gelegen wijk. Harm gaf les in een afzonderlijke ruimte in of bij de woning van Klaas Derks Gort, die formeel als school op papier stond. We weten niet wanneer de school geopend is. We weten wel wanneer de eerste school zijn deuren sloot. Het register uit 1806, waarin de school vermeld wordt, is januari 1807 afgerond. Een ander register uit 1807 laat zien dat Klaas Derks Gort en zijn familie verhuisd zijn. Klaas en Geert Bartels ruilden zo rond mei 1807 van woning. Klaas kwam aan het Achteromse Opgaande te wonen en Geert betrok het pand aan het Noordse Opgaande. Mogelijk heeft Harm Keijser het lesgeven in het pand aan het Achteromse Opgaande voortgezet. We weten het niet.

Wat we wel weten is dat de eerste school van Noord van grote invloed is geweest op het zelfbewustzijn van de bevolking van Noord. Het zal ook niet toevallig zijn dat de eerste door de gemeente gestichte school naast de oude woning van de familie Gort werd gebouwd. De bevolking was al gewend de gang naar dat punt te maken. Die eerste openbare school kwam er niet vanzelf. Er zou heel wat water door Noord stromen, voor de gemeente geld voor scholen in de velden vrij zou maken. Het was schoolopziener G. Bentem Reddingius die gouverneur Hofstede, gouverneur van Drenthe, op de hoogte bracht van de treurige situatie de er na de Franse Tijd in de Hoogeveense buitengebieden ontstaan was. Zo’n 500 kinderen bleven daar van onderwijs verstoken. Het betrof kinderen te Noord, Krakeel, in het Hollandsche Veld en ten zuiden van de plaats Hoogeveen.

In 1816 schreef Hofstede een brief aan schout Abraham Meijer, waarin de behoefte aan onderwijs in de velden werd benadrukt. In de jaren daarvoor waren er al acties gevoerd om onderwijs in de velden te krijgen, vooral vanuit de bevolking van het Krakeel en het Hollandscheveld, maar die hadden geen resultaat gehad. Uit 1804 is zelfs nog een hele lijst met handtekeningen bewaard gebleven, van mensen die zowel om een school als om een kerk in de velden vroegen. Onder druk van gouverneur Hofstede gingen in 1816 zowel de schout als de gemeenteraad van Hoogeveen overstag. Er zouden twee scholen worden gebouwd. Een school te Noord en een school op de Kerkenkavel. De gemeentekas was in die jaren te berooid om de scholen en onderwijzerssalarissen te kunnen bekostigen. Toch mag dit niet als excuus aangevoerd worden voor het lakse gedrag van het gemeentebestuur. Er zat namelijk een grote pot met geld onder handbereik.......

Toen de Compagnie van 5000 Morgen werd gesticht, was 100 morgen veen en ondergrond opzij gelegd. Met de opbrengsten daarvan zou voor kerk, school en armen gezorgd kunnen worden. Toen de gemeenteraad een beroep deed op de Compagnie van 5000 Morgen (verschillende personen zaten zowel in de gemeenteraad als in de vergaderingen van die compagnie) werd besloten om geld vrij te maken voor de beide scholen. Jacob Warners Bouhuis bouwde de school te Noord en zijn broer een vergelijkbare school op de Kerkenkavel. In 1819 werden de scholen geopend. De eerste (hoofd) onderwijzers van Noord waren achtereenvolgens: J. Berkenbosch, H.Timmer, P. Eldering, J. de Boer en vanaf 1865 J. Boelen.

Het Pesserveld en de belastingen

Zoals gezegd lag de noordkant van Noord in het zo­genaamde Pesserveld. Het gebied stond los van Echtens-Hoogeveen, maar was er qua kolonisatie en herkomst van de bevolking zeer nauw mee verbon­den. Wat betreft de bevolkingsontwikkeling was die noordkant van Noord gewoonweg één met Echtens­Hoogeveen.

Het toont weer eens aan dat er bij de verdeling van de venen en de daarop volgende openlegging door middel van vaarten geen rekening gehouden werd met de te verwachten bewoning van het gebied. For­meel was het Pesserveld kerkelijk los van Hooge­veen, maar het was een volstrekt logische zaak dat de eerste bewoners van het gebied daar gewoon naar de kerk gingen. 

In 1713 werd er een regeling getroffen. Vanaf toen mochten de bewoners van het Pesserveld for­meel gebruik maken van de kerkelijke diensten van Echtens-Hoogeveen (avondmaal, doop, trouwen, enz.). Als tegenprestatie zouden ze meebetalen aan het pastoorsgeld (dat is een vorm van belasting waarmee ondermeer de "pastoor", de predikant, betaald werd), het classicaal geld, de tamboer en het onderhoud van de dijk van Echten. Eerder stelde ik al dat we aan kunnen nemen dat de kolonisatie van Noord in het begin van de 18e eeuw op gang kwam. Dat er in 1713 een. regeling over het kerkbezoek en het meebetalen aan de kerk kwam, kan als weer een verwijzing in die richting gezien worden.  

In 1713 werd er een regeling getroffen. Vanaf toen mochten de bewoners van het Pesserveld for­meel gebruik maken van de kerkelijke diensten van Echtens-Hoogeveen (avondmaal, doop, trouwen, enz.). Als tegenprestatie zouden ze meebetalen aan het pastoorsgeld (dat is een vorm van belasting waarmee ondermeer de "pastoor", de predikant, betaald werd), het classicaal geld, de tamboer en het onderhoud van de dijk van Echten. Eerder stelde ik al dat we aan kunnen nemen dat de kolonisatie van Noord in het begin van de 18e eeuw op gang kwam. Dat er in 1713 een. regeling over het kerkbezoek en het meebetalen aan de kerk kwam, kan als weer een verwijzing in die richting gezien worden. 

De regeling geeft een mooi beeld van de belastingen uit die dagen. Er waren meer vormen van belasting, maar deze "gemeentelijke belastingen" werden ook door de bewoners van de zuidkant van Noord betaald. Die bewoners van de zuidkant betaalden nog aan meer dingen mee, waar het Pesserveld voorlopig vrij van bleef. Het onderhoud van het Krakeel, de ge­vangenneming van delinquenten, de traktementen van de schuIten van Hoogeveen en verteringen en andere kosten van huishoudelijke aard van Hooge­veen bleef men van gevrijwaard. De zuidkant van Noord moest daar wel aan meebetalen. Dat het Pes­serveld niet aan de schulte meebetaalde had te ma­ken met de bijzondere juridische situatie. De noor­kant van Noord, een deel van het Pesserveld, viel onder een andere schulte dan de zuidkant. Al met al bleef de situatie onoverzichtelijk.

In principe zou men tot in lengte van dagen bij alle nieuwe ontwikkelingen te Echtens-Hoogeveeen nieu­we afspraken met het Pesserveld moeten maken.Om dit te voorkomen, en de hele situatie van het bestuur van het Pesserveld duidelijk te maken, werd het Pesserveld in 1803 bij Hoogeveen gevoegd.

De afscheiding

De geschiedenis van de Afscheiding binnen de ge­meente Hoogeveen, elders beschreven, laat zien dat de bewoners van de buitengebieden van de ge­meente daarin een grote rol speelden. Albert Gort, de zoon van Klaas Derks Gort, had rond het Ach­teromse Opgaande een leidende rol. Hij stelde zijn woning open voor het houden van samenkomsten.In 1834 werd hij daarvoor reeds veroordeeld. Hij moest een boete van f 15,- betalen. Toendertijd was het verboden om als Afgescheidenen in grotere ge­zelschappen te vergaderen.

In 1835 kwam ds. De Cock uit Ulrum te Hoogeveen kinderen dopen en een gemeente institueren. Dit ge­beurde in de woningen van Albert Gort en Hendrik Roelofs Klinkien, aan de 31e wijk. We kennen hiervan een verslag van brigadier­veldwachter Leyssenaar, die als "spion" de infor­matie doorbriefde aan zijn superieuren, opdat ver­oordelingen konden volgen. Toendertijd was het opsporen en aangeven van Afgescheidenen een regu­lier onderdeel van zijn taak.

Hij schrijft erover: "Wij onderteekende Jan Philip­pus Leyssenaar, brigadier-veldwachter der gemeente Hoogeveen, en Gerhardus Johannes Heiis, provisio­neel fungeerende policiebode aldaar, verklaren datop den vijfentwintigsten Maart achttienhonderd vijf en dertig ten huize van Albert Gort, landbouwer al­hier, door den afgezetten predikant De Cock, na voorlezing van het gewoon formulier, de Heilige Doop is toegediend aan vier kinderen, één van Harm Alberts Booy, één van Albert Gort, één van Jan Streutger en één van Harm Gort, alle hier woonachtig,' dat op den volgenden dag ten huize van Hendrik Roelofs Klinkert, veen eigenaar alhier, door gezegden De Cock zulks is verrigt geworden aan een kind van Arend Koerts Hartman, schipper alhier, en één van Willem Steenbergen, landbouwer te Koekange, gemeente De Wijk,. dat vervolgens in iedere oefening door meergenoemde afgezette Predi­kant tot leden van hunne gemeente zijn aangenomen en bevestigd alle die zich van onze Gereformeerde of Hervormde Kerk hadden afgescheiden, gelijk me­de bij het einde van iedere oefening gestemd is ge­worden op personen tot ouderlingen en diakenen in hun midden,' wijders zijn door gemelde De Cock tot vaste oefenaars en voorgangers van de door hem al­hier gevestigde Gemeente aangesteld de navolgende personen, als Gerrit Jan Raidt, schoenmaker, Jan Prederik Zeebuit, schoenmaker en Roelof Spijker­man, arbeider, allen woonachtig in deze gemeente. En hebben wij hiervan deze verklaring opgemaakt en getekend te Hoogeveen, den 6 April 1835."

Daarna volgden de handtekeningen van zowel Leys­senaar als de andere getuige, G.J. Heiis. Albert Gort was nauw verbonden met de nieuwe gemeente. Als diaken nam hij daarin een vooraanstaande plaats in. Albert zou ook de grote gangmaker voor een eigen school worden. De Afgescheidenen had­den clandestien een eigen school, die onderdak vond in een hoek van de eigen kerk. Onder het mom van godsdienstonderwijs trachtte men de officiële instan­ties zand in de ogen te strooien. 

De burgemeester trachtte hen op het geven van lager onderwijs te betrappen, en verscheen enige malen onverwachts in de kerk. Meestal trof hij hen psalm­zingend of bijbellezend aan. In januari 1845 betrap­te hij hen op het gebruik van lees- en spelboekjes. Een boete was het gevolg. De 26e februari 1845 werd Albert, de onderwijzer, tot het betalen van f 50,- veroordeeld. De zaak rond de boete sleepte nog enige tijd, maar de eerste gereformeerde school van de gemeente Hoogeveen was hiermee wel ten einde.

Al deze ontwikkelingen hangen weer nauw samen met de geschiedenis van Noord. Albert Gort was opgegroeid in een omgeving waarin men zich er van bewust was dat men van de officiële instanties niet al te veel verwachten kon. Ze hadden een eigen school op moeten richten, de eerste school van Noord, en Alberts oom had er onderwijs gegeven. Oom Harm Keizer leefde nog toen de Afgescheiden gemeente geïnstitueerd werd. Ook hij woonde toen­dertijd aan het Achteromse Opgaande, net als Klaas Derks Gort, Alberts vader.

Toen het duidelijk werd dat het niet goed meer ging met de kerk, toen de kerk niet meer voldeed aan wat hun visie op een volwaardige kerk was, paste de familie Gort dezelfde zelfwerkzaamheid en leidinggevende capaciteiten op godsdienstig gebied toe. We zien dezelfde ontwikkelingen in het Hollandsche Veld. De mensen die aanvankelijk Geert Roelofs Raak fanatiek steunden, gingen daarna grotendeels over naar de Afgescheiden Gemeente.

De bevolking van 1830

In de jaren tussen 1764, het jaar van de vorige be­schrijving van de grootte en de sociale lagen van de bevolking rond Noord, en het opstellen van het be­volkingsregister van 1830, is de bevolking flink ge­groeid. Het bevolkingsregister van 1830 geeft al­le inwoners van de gemeente Hoogeveen weer. Met behulp van de oudste kadastrale kaart van Hooge­veen, uit diezelfde periode, kunnen we de mensen rond Noord registreren.

Als we een grens moeten trekken tussen het buiten­gebied en de plaats Hoogeveen, is het reëel om sec­tie B. van de kadastrale kaart als buitengebied te beschouwen. Rond Noord wonen dan 140 huishou­dens. Dat is dus 85 huishoudens meer dan in 1764. De hele bevolking van Noord is in 1830 geteld en onder vermelding van beroep ingeschreven. In 1764 werden alleen de hoofden van de huishoudens inge­schreven.

Willen we de beide registers met elkaar vergelijken, doen we er goed aan om ook met betrekking tot het register van 1830 gebruik te maken van de gegevens van de hoofden van de huishoudens, en de rest ach­terwege te laten. De beroepsopbouw zag er dan als volgt uit:

·                 Landbouwers en veenbazen (3x) 

·                 Landbouwers (36x) 

·                 Schippers (26x) 

·                 Schipper en landbouwer (1x) 

·                 Onderwijzer (1x) 

·                 Koopman (1x) 

·                 Arbeiders (59x) 

·                 Kleermaker (1x) 

·                 Bijker (1x) 

·                 Geen beroep (10x) 

·                 Landbouwer en veenarbeider (1x)

Nogmaals, het gaat hier alleen om de hoofden van de huishoudens. Geen beroep hadden enkele wedu­wen, oudere mensen of alleenstaanden. Verder kunnen er ook zieken of gehandicapten on­der gezeten hebben. We moeten de uitkomst van de telling niet al te strak hanteren. Volgens de telling zouden er 36 landbouwers wonen. Wie een beetje thuis is in de si­tuatie in de buitengebieden van Hoogeveen zal we­ten dat vrijwel alle schippers en arbeiders er een stukje land bij hadden, en velen hadden ook koeien. Met die 36 landbouwers worden alleen diegenen be­doeld die voor wat betreft hun hoofdinkomen op de landbouw aangewezen waren. Al die andere mensen hadden er wel wat landbouwgrond bij, maar voor hen was het nevenberoep. Verder vinden we in deze lijst geen tappers terug. Ze moeten er wel geweest zijn. Hun tapperij was niet de belangrijkste bron van inkomsten. Vandaar dat de tappers onder ande­re beroepsaanduidingen ingeschreven werden. Als we de beroepen in proberen te delen in de socialelagen die we voor 1764 gehanteerd hebben, komen we tot een verrassende ontdekking.

De landbouwers, de veenbazen, de schippers, de on­derwijzer en de koopman vormden een bovenlaag die te vergelijken is met de praambezitters uit 1764. Niet dat ze dus hetzelfde beroep hadden, maar ze hadden een vergelijkbare sociale positie. De boven­laag vormde in 1830 ongeveer 49070 van de bevol­king. In vergelijking met 1764 was de bovenlaag dus maar 9070 kleiner geworden. Het resterende bevol­kingsdeel, vooral arbeiders, laat zich moeilijk onder­brengen in de middengroep en de onmachtig en, om­dat we daarvoor in dit verband te weinig informatie hebben. Er van uitgaande dat beide groepen in 1764 uit arbeiders bestonden, kunnen we zeggen dat de arbeidersbevolking qua hoofden van huishoudens in procenten iets gegroeid is. Wetend dat ook de men­sen zonder beroep veelal onder de arbeidersbevol­king vielen kunnen we stellen dat de arbeidersbevol­king in 1830 ongeveer de helft van de huishoudens uitmaakte. 

Plaatselijk Belang

De geschiedenis van Noord en omstreken kenmerkte zich in de vorige eeuw niet door grote veranderin­gen, die het hiervoor gegeven beeld ongedaan maak­ten. Veranderingen gingen geleidelijk. Hoewel de struktuur van de beroepsopbouw van de bevolking langzamerhand meeveranderde, was ook dit niet opzienbarend. 

 

Het belangrijkste moment in de geschiedenis van Noord en omstreken in de tweede helft van de vori­ge eeuw was het ontstaan van Plaatselijk Belang. De voorgeschiedenis van dit Plaatselijk Belang moet in het Hollandsche Veld gezocht worden. In 1865 ont­stond daar de "Vereeniging Hollandsche Veld", momenteel beter bekend als Plaatselijk Belang Hol­landscheveld. De vereniging hield zich in het bijzon­der bezig met de belangen van het Hollandsche Veld. Daarnaast hadden de leden van de vereniging van begin af aan een open oog voor de ontwikkelin­gen en noden van de omringende gebieden, zodat er eind 1869 al negen leden van Noord geteld konden worden. In de notulen van de vereniging lezen we regelmatig over Noord en de daar te behartigen belangen. Voor Noord en het Hollandsche Veld was de onderlinge verbinding van groot belang. Een ka­naal van Noord tot in het Hollandscheveldse Op­gaande zou ontstaan als men vanuit de 31 e Wijk, in het gebied rond het Krakeel, zowel zuidwaarts als noordwaarts enkele verbindingsstukken zou graven. De "Vereeniging Hollandsche Veld" heeft zich er vanaf 1866 mee bezig gehouden. Jaren later zou al­leen het zuidelijke deel verwezenlijkt worden, de Doorsnijding in het dorp Hollandscheveld.

 In 1867 besloot men Rahder te steunen bij de toen­malige verkiezing van gemeenteraadsleden. In die gevallen dat de vereniging zich hard maakte voor het onderhoud van de belangrijkste vonders, en het plaatsen van lantaarns promootte, werd het vonder bij de school van Noord er steeds bij betrokken. Ook stelde men "bij 't Noordscheschut is 't bij duistere avonden niet zonder gevaar de bogt tus­schen Hartsuiker en de brug te passeren". Daar zou èveneens een lantaarn moeten komen. In 1869 nam men het voorstel aan om voor rekening van de vere­niging bij de kerk van Hollandscheveld en de school van Noord bij de vonders reddingshaken te leggen.

De leerlingen van alle scholen in de buitengebieden, ook die van Noord, kregen fraaie prenten uitge­reikt, op kosten van de vereniging, als ze tenminste in 1868 de school trouw bezocht hadden. Verder drong de vereniging er op aan het ijken van maten en gewichten ook in de buitengebieden plaats te la­ten hebben, een keer te Noord en een keer in het Hollandsche Veld, omdat het laten ijken in de kom een volle dag zou kosten, terwijl de neringdoenden door de grote afstand naar de kerk (waar door ker­kesp raak het ijken bekend gemaakt werd) niet altijd van het ijken op de hoogte waren. 

De vereniging bepleitte ook het plaatsen van een brandspuit te Noord, op verzoek van enige leden zeggen de notulen. Maar in principe bleef de vereni­ging zich vooral bezighouden met het Hollandsche Veld. Dit omdat de leden van Noord en omstreken in de minderheid bleven. Om de belangen van Noord beter te kunnen beharti­gen was een eigen vereniging nodig. Daartoe kwa­men de 18e januari 1876 21 personen bij elkaar. Ze gaven de aanzet tot wat we nu kennen als Plaat­selijk Belang Noordscheschut. De leden van Noord zouden de "Vereeniging Hollandsche Veld" verla­ten, maar wel hun bestuurlijke ervaring en kennis over het functioneren van een zodanige vereniging meenemen. 

Het doel van de vereniging van Noord was de ' 'be­vordering van den bloei en de welvaart der Veldstre­ken in het algemeen, en die der streken Noord en environs (= omstreken) in het bijzonder." Als zoda­nig stond Plaatselijk Belang Noordscheschut aan de wieg van het huidige dorp en is het mede aan haar te danken dat het dorp zoals wij dat nu kennen ont­staan is. Het dorp zoals we dat nu kennen heeft tevens kunnen ontstaan doordat in 1851 de Hoogeveensche Vaart werd verkocht aan de Drentsche Kanaalmaatschappij. Het oude schut in de Heer Van Echtens Wijke werd verwijderd. De wijk werd het begin van de Verlengde Hoogeveensche Vaart. Het nieuwe, bredere, diepere en grotere Noordsche Schut was geen eindpunt meer, maar een doorvoerpunt. Een derde punt dat de geboorte van het dorp mogelijk maakte, was de turfgraverij rond Nieuweroord, in samenwerking met de activiteiten van de familie Rahder. Drie verhalen die een eigen uitvoerige beschrijving verdienen.

Noord in de zestiger jaren van de vorige eeuw. (Foto gemaakt door Bertus ten Caat)

 

 

Artikelen bekeken hits
375884
Facebook Image

Copyright © 2015. Henk Jonker Hoogeveen